» » Over een vrouw in de trein en #MeToo

Over een vrouw in de trein en #MeToo

Geplaatst in: nieuws | 0

Home of the Light – Blog 3

Op 15, 16, 22 en 23 december geeft Kamerkoor JIP concerten over de viering van de geboorte van het licht in de duisternis, met muziek van louter vrouwelijke componisten, samen met celliste Emma Kroon en beeldend kunstenaar Barbara Ilse Petzold Horna. In twaalf blogs onderzoekt dirigent Imre Ploeg wat de abstracte wereld van de nacht, de kwaliteiten van midwinter en kerst en vrouwelijkheid voor hem betekenen, en reageert hij op de teksten die klinken in de muziek.

Gisteren stond ik tussen de dampende menigte te wachten op de trein die ons allen tezamen van Utrecht Centraal naar Amsterdam Amstel zou brengen. Ik leunde tegen een hoge prullenbak en tuurde met doffe ogen naar de honderd mensen rondom mij op Spoor 7. De meeste reizigers, of ‘dames en heren’, als je ze zo liever noemt, zwegen in alle toonaarden. Als een kudde losgerukte pinguïns waggelden ze lichtjes heen en weer op de grijze tegels van het perron. De meeste ogen waren gericht op de neonborden van de NS, de felle witte straal van de smartphone of een krantje hier en daar.

De apostel Paulus schrijft in zijn eerste brief aan de Korintiërs: “Laat uw vrouwen in de gemeenten zwijgen. Het is hun immers niet toegestaan te spreken, maar bevolen onderdanig te zijn, zoals ook de wet zegt. En als ze iets willen leren, laten zij dat dan thuis aan hun eigen man vragen.” (1 Kor. 14:34-35). En in de eerste brief aan Timoteüs schrijf Paulus, zoals in de bijbel te lezen valt: “Een vrouw dient zich gehoorzaam en bescheiden te laten onderwijzen; ik sta haar dus niet toe dat ze zelf onderwijst of gezag over mannen heeft; ze moet bescheiden zijn. Want Adam werd als eerste geschapen, pas daarna Eva. En niet Adam werd misleid, maar de vrouw; zij overtrad Gods gebod. Ze zal worden gered doordat ze kinderen baart, als ze tenminste volhardt in het geloof, de liefde en een heilige, ingetogen levenswijze.” (1 Tim. 2:11-15).

Ik sta op Spoor 7 en doe wat ik het allerliefste doe. Ik tuur zachtjes naar de ogen en bewegingen van de mensen om mij heen. Ik maak mezelf onzichtbaar en probeer in de duizenden bewegingen patronen te ontdekken.
De trein komt aan en de massa grijze pinguïns komt vluchtig in beweging. Enkele vlijtige heren en dames, of reizigers, als je dat liever hebt, berekenen nauwkeurig waar de deuren van de intercity zich zullen openen en trekken, voorzien van wat ellebogen en gemompel, een sprintje om het beste plekje onder de wachtende forenzenpinguïns te bemachtigen. Maar ik sta voor enkele uiterst trage, bijna eeuwige seconden stokstijf stil.
Zo’n vijf meter voor me loopt een vrouw waar ik meteen verliefd op wil worden. Ze heeft een opvallende broek aan, zo’n sportieve rugzak met een dopper erin en ze fluit een liedje.

Mijn wereld tolt.

Ik besef met net op tijd dat ook ik zal moeten bewegen, wil ik in de trein terecht komen. Intuïtief waggel ik naar dezelfde deur als de nieuwe verschijning met de felgekleurde broek zich heeft bewogen…

In de evangeliën van Mattheüs, Markus en Lukas worden grote groepen vrouwen beschreven, die op verre afstand de naderende dood van Jezus aanschouwen. Zoals Mattheüs omschrijf in hoofdstuk 27, vers 55-56: “En daar stonden vele vrouwen en aanschouwden het van verre. Zij waren Jezus uit Galilea gevolgd om hem te dienen. Onder hen waren Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jakobus en Josef.”
In het evangelie van Johannes lezen we echter wat anders: “Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster van de moeder, Maria de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena. Toen Jezus zijn moeder zag en de leerling die hij liefhad, die bij haar stond, zei hij tot zijn moeder: Vrouw, zie: Uw zoon! Daarop zei hij tot de leerling: zie: uw moeder! En van dat uur af nam de leerling haar bij zich op.

De trein. Om niet op te vallen wacht ik bij het naar binnen gaan geruime tijd. Zo zal de tijdelijke vrouw van mijn leven niet het gevoel krijgen te worden beslopen.
Ik word wel vaker voor korte tijd verliefd op vrouwen in de trein. Een moeilijk dilemma in dubbeldekker treinen is het kiezen tussen de trap naar boven of naar beneden. Als ik de vrouw in kwestie naar boven volg zijn er direct consequenties.

Ten eerste kan ze denken dat ik een oogje op haar heb. Dat is natuurlijk ook het geval – maar een belangrijk onderdeel van mijn geestelijk spel is dat ze dat niet doorheeft. Ten tweede weet ik bij de keuze voor haar verdieping zeker dat ik niet ver zal komen in het boek dat ik in de trein wilde lezen. Ik zal ongetwijfeld om de zin omhoog kijken om te controleren of ze er nog is en of ze nog altijd zo beeldschoon om zich heen kijkt. 

Ten derde kies als ik haar volg voor een volgend duivels dilemma: ga ik op de vierzit zitten waar zij ook heeft plaatsgenomen, dan weet ik zeker dat ik nerveus zal raken, dat ze mij doorheeft als ik haar lang en apathisch aanstaar én dat ik ik geen letter zal binnenkrijgen uit mijn boek. Verstandiger is dan te kiezen voor een vierzit verderop, aan dezelfde kant van het gangpad. Als ik mijn positie goed zal weten te bepalen kan ik via de lange weerspiegeling van het raam naar haar kijken. En als ze mij ziet aan de andere oever van het spiegelraam, dan zal ze altijd kunnen denken dat ik simpelweg landschappen observeer. 

In het evangelie van Markus staat een opvallende zin, beschreven in het gedeelte waar de Christus is opgestaan en zodoende niet meer in zijn graf te vinden is. De zin is als volgt:

“Herrezen in de vroege morgen van de eerste dag der week verscheen hij het eerst aan Maria Magdalena, van wij hij zeven demonen had uitgedreven.” (Markus, 16:9-10)

Als je deze zin verkeerd leest kun je interpreteren dat er demonen uit haar moesten worden gedreven en dat ze dus demonisch was in haar leven. Zo is ze ook eeuwenlang afgeschilderd. Als een hoer. Maar waarom verschijnt Christus dan als eerste bij haar als hij is opgestaan? Dat is omdat we de zin heel anders moeten lezen.
De zeven demonen die worden verdreven verwijzen naar de inwijdingsweg van Maria Magdalena in de geestelijke, kosmische geheimen. Ze kon de geheimen van de kosmos aanschouwen en ook die van het kleine mensenhart op aarde, omdat ze de stappen van de inwijding was gegaan. Een ingewijde, zo zou je kunnen formuleren, is iemand die er voor kies de ‘God’ in hem of haar aan het licht te laten komen. Dat kan alleen als het menselijk ego naar de achtergrond verdwijnt en gevoelens van angst, onzekerheid en onveiligheid plaats maken voor een diep weten, een innerlijke vrede en een gevoel van vertrouwen. Deze inwijdingsweg naar een kosmisch weten is een menselijke zoektocht die vele malen ouder is dan het Christendom.

Ik zit bij deze vrouw in de trein, met haar opvallende broek en sportieve rugzak met een dopper erin. Door de drukte in de trein wordt ik gedwongen recht tegenover haar te gaan zitten. Ik voel mijn hart kloppen.

Ik richt mijn blik naar haar ogen. Ik kijk haar aan. Zij kijkt mij aan. Beiden kijken we snel weer een andere kant op.

Waar het op neerkomt is dat we bang zijn. Ja, we zijn beiden bang.

In de afgelopen week hoorde en las ik tientallen #MeToo verhalen die naar buiten kwamen naar aanleiding van de verhalen over Harvey Weinstein. Van vrienden en onbekende vrouwen hoorde ik de meest gruwelijke verhalen over een klein deel van het mannelijk geslacht dat het normaal vindt vrouwen bij de kut te grijpen, in de bosjes te betasten, smerige grappen te maken en weet ik veel wat niet allemaal meer. En telkens kwam in mij woede naar boven. De woede van de onmacht.

Zoveel vrouwen die zich schuldig voelen omdat ze denken dat ze zelf niet duidelijk waren in hun eigen grenzen. Ik leerde dat als je gestrest raakt, je frontale cortex ‘offline’ kan gaan. En die frontale cortex is nou net het gedeelte in je hersenen die zorgen dat je kunt communiceren. Als een of andere idioot zijn geslacht ongevraagd laat zien, kan het dus gebeuren dat het slachtoffer bevriest in plaats van een (al dan niet verbale) schop onder de mannelijke kont geeft. Of de vrouw, of in ieder geval het slachtoffer, grenzen aangeeft bij seksuele intimidatie is dus totaal irrelevant. Het brein wil overleven en stopt daardoor met werken.

Maar wat over blijft is angst. Vrouwen die ik sprak lopen met een boog om groepen mannen heen. Als kind mochten ze niet alleen uit, omdat het altijd mis kan gaan.

Het is een angst die zover kan gaan dat je uiteindelijk iemand tegenover je in de trein niet aan durft te kijken. Omdat je niet kunt vertrouwen op zijn intenties. Niet op het eerste gezicht, althans. En wat dan ontstaat is wantrouwen in de ander. Een sluimerend en onbewust wantrouwen weliswaar, maar wel een die doorwerkt in de vrijheid van een vrouw om als mens in contact te zijn.

En ik denk dat dit mij mijzelf, als man, ook zijn doorwerking heeft. Ik ben geen slachtoffer van noemenswaardige seksuele intimidatie. Maar als man denk ik wel twee keer na voordat ik oogcontact zoek met een onbekende vrouw. Natuurlijk komt dat ook omdat ik verlegen en zelfs wat schichtig van aard ben. Ik voel me kwetsbaar als ik in contact ben en bij onbekende mensen is die kwetsbaarheid vaak onveilig.

Maar ik kijk de vrouw die tegenover me zit in de trein ook niet aan omdat ik bang ben dat ze mij pervers vindt. Dat ze denkt dat mijn intenties puur erotisch en seksueel van aard zijn. En daarmee wordt de grens tussen schone intimiteit en onveiligheid heel dun. En uiteraard: ik leef niet los van lusten en driften. Maar in de ogen en lippen van de vrouw in de trein wil ik toch vooral de schoonheid zien van haar als mens. Mag dat nog? Waarom kijkt iedereen toch altijd weg als we in de trein zitten? Omdat we ergens het contact verloren hebben? Omdat we ons naakt voelen als iemand je probeert te zien?

In mijn eerste blog schreef ik over een droom. Een droom waarin ik op het strand door tunnels rende. Eindeloze tunnels. En aan de andere kant van de tunnel verscheen de verbeelding van een vrouw.

De diepte psycholoog Carl Gustav Jung schreef gedurende zijn hele leven op een fenomenologische wijze over zijn eigen zielenleven en dat van velen van zijn patiënten. Hij hoorde in de dromen van de mensen iets heel bijzonders. Iedere man vindt in de diepte van zijn psyche een vrouwelijke structuur. En andersom.

De man, biologische gebouw voor activiteit naar buiten, voor veroveren en onderwerpen, draagt in zijn inbeelding van het onderbewustzijn de verschijning van het beeld van een vrouwelijk wezen, dat hem in de weg treedt en hem duidelijk maakt dat hij niet moet vergeten zijn werkelijke levensmotief te volgen. En dat is een algeheel menselijk motief.

Biologisch gezien is de mens zowel mannelijk als vrouwelijk aangelegd. Ik las dat de oer-nier, die in de vroege embryonaal-tijd het hele urogenitaal systeem aanlegt, gedurende een tijd beide orgaansystemen ontwikkelt, tot het moment waarop het mannelijke of het vrouwelijke doorzet en de andere organen achterblijven. De potentie van het tegenovergestelde geslacht in de embryonale ontwikkeling blijft in het verdere leven bestaan en heeft invloed op de psyche, in de diepere lagen van ons onderbewustzijn, aldus Jung. Deze diepere lagen vind je in de ontwikkeling van de mensheid terug in de beeldentaal van de archetypen die we kennen uit sprookjes en religies.

Laten we Adam en Eva als archetypisch voorbeeld nemen. Apostel Paulus beschreef dat Eva uit Adam geboren werd en trok de conclusie dat zij zich dus hoorde te gehoorzamen. Ik denk echter dat we het beeld van Adam en Eva heel anders moeten bekijken. Laat ons hierin Jung volgen.

Eva verscheen in het onderbewuste van Adam, en net zo goed andersom. Eva is de interne dualiteit in de uniciteit van Adam (hier kom ik op terug). Ieder Adam draag zijn Eva in zich. Iedere man of vrouw zoekt op aarde naar een ontmoeting met een medemens die op de eigen Eva of Adam (als tegenbeeld in het onderbewuste) lijkt. Zo blijf je geestelijk in evenwicht.

In ons dragen we een dubbele aanleg, zowel mannelijk als vrouwelijk. En het is zaak die dubbele aanleg te blijven voeden. Als een man te eenzijdig mannelijk wordt en zijn evenbeeld in zijn vrouwelijkheid verliest, dan blijft er een mens over met mannelijke biologische driften; met activiteit naar buiten, klaar voor de verovering en onderwerping. En dat is gevaarlijk.

Adam en Eva kunnen we zien als beeld van de dubbelheid in de eenheid van het mannelijke en vrouwelijke. In de vroegste mythologieën en mystieke stromingen is de mens nog niet verworden tot de dualiteit van man en vrouw. Misschien zorgt die dualiteit wel voor de zondeval.

Het draaft te ver om te zeggen dat ik in de trein mijn Eva probeerde te vinden in de vrouw die tegenover mij zat. Maar ik wil dat zij en ik weer leren te kijken. Te kijken naar de verschijningen in ons onderbewustzijn en te kijken naar de ogen van de ander. 

Ergens heb ik het gevoel dat het daarom zin heeft om het leven en de inwijdingsweg van Maria Magdalena te onderzoeken. Ik krijg het gevoel dat haar mystieke liefde en de beschrijvingen van haar innerlijke weg naar de ongeslachtelijke, geestelijke wereld ons beter kunnen laten begrijpen waar mannelijkheid en vrouwelijkheid en de wereld van het onderbewustzijn (de nacht, de winter) nou eigenlijk over gaan. Zoals ik eerder schreef: het menselijk ego naar de achtergrond laten verdwijnen en gevoelens van angst, onzekerheid en onveiligheid laten overgaan in een diep weten, innerlijke vrede en een gevoel van vertrouwen. Misschien kan Maria Magdalena ons laten inzien dat in de mysteriën van de psyche beelden ontstaan van innerlijke dualiteit. In onze geest zijn we zowel mannelijk als vrouwelijk, zijn we Adam én Eva, vinden we zowel licht als duisternis, zijn we alleen op de wereld én met elkaar en iedereen verbonden.

De komende weken oefen ik met het openen van deze wereld in mijzelf, door een tweetal gedachten experimenten:

  1. Ik stel mij God voor als vrouw, opdat ik het (mogelijke) Godsbeeld niet langer verbeeld met een mannelijke verschijning, maar uiteindelijk met een algemeen menselijke.
  2. Ik schrijf alles op wat ik denk, wat niet direct op mijn uiterlijke leven toepasbaar is. Ik schrijf afgedwaalde gedachten op. Ik schrijf dromen op en kleuren. Zo onderzoek de beelden die vanuit mijn onderbewustzijn verschijnen.

Oja, tenslotte nog dit. De vrouw in de trein heb ik nooit ontmoet. Ze ontstond ter illustratie van mijn verhaal. Je hoeft je dus niet af te vragen hoe dat is afgelopen.